Ik woonde in het ontstoken haarzakje van de oksel van Engeland

Als ik fantaseerde over mijn toekomstige studie in Engeland, zag altijd ik van die vrolijke, rode dubbeldeksbussen voor me. Levende standbeeldsoldaten met berenmutsen. Lovely gentlemannen met roodharige Harry lokken, die in pubs pints bestellen. En diepgefrituurde vissen en patat met azijn, gerold in een oude The Sunday Times Niets was verraderlijker dan mijn in duigen gespatte idealen, toen ik in mijn studentenhuis in Coventry, West-Midlands trok.

Hoewel Coventry University (de school waaraan ik ging studeren), zichzelf hoereert als dé universiteit in de ‘op vier na veiligste stad van Engeland’, heb ik mezelf nog nooit eerder zo onveilig gevoeld als toen ik daar aankwam met mijn koffertjes en mijn goede gedrag. Door steegjes in Bolivia wandelen (vol zwerfhonden, duisternis en cocabladerenkauwende potentiële overvallers) was aanlokkender, dan de straat op wanneer de avond viel in mijn nieuwe woonplaats. Ik begreep dan ook al snel van locals dat Coventry door het instorten van de auto-industrie (waar de stad ooit rijk door was geworden) en door bombardementen tijdens de Tweede Wereld oorlog, een van de meest verpauperde steden van Engeland was geworden. Als verontrustend koosnaampje had deze arbeidersstad dan ook: ‘The Armpit of England’.

Overdag was het allemaal nog wel te behappen. Het enige wat ik mezelf afvroeg was hoe het toch kwam dat ik ’s morgens altijd op een haar na uitgleed over de condooms op ons opritje. Maar al snel kwam ik in aanraking met de ware aard van mijn buurt. Mijn straat was niet zomaar een gewilde oversteek plaats waar meiden er uren over deden om een keer aan de andere kant van de straat te komen. En het was niet zomaar een drukke weg waar verdacht veel mannen snelheid afnamen. En het lag niet aan mijn kledingkeuze dat mensen vroegen ‘hoeveel ik kost’ en ‘of ik wil instappen’. En dat meisje dat vanaf de overkant van de straat blèrde of ik ‘de nieuwe was’? Toen ik enthousiast ‘ja ik woon hier net, thanks!’ terug schreeuwde? Die was niet geïnteresseerd in mij als nieuwe buurtbewoner. Maar als concurrent. Ik woonde op een tippelzone.

Uit nieuwsgierigheid vroeg ik een paar van mijn opschepperige, grootgebekte, alfamannelijke klasgenoten of zij wel eens na het uitgaan door mijn straat reden voor een (broek)afzakkertje. Veel gaven volmondig, met een minachtend, vrouwonvriendelijk toontje toe dat ze wel eens hoeren regelde ja. Ze betaalde ‘that bitch’ dan niet, maar in ruil voor haar diensten reden deze gasten dan langs een dealer om haar van haar volgende shot te voorzien. Gadverdamme, ik walde hiervan. Prostitutie in Coventy wordt namelijk nauwelijks gecontroleerd en de meiden in mijn straat zijn letterlijk wat in de volksmond ‘crackhoeren’ heet. Aan lagerwal geraakte kanslozen, die ergens ver naar beneden getrapt, op bodem van de maatschappij liggen.

Ik vroeg een bevriend supportworker wat haar vrijwilligerswerk met deze meiden nou precies inhield.  Ze vertelde me dat ze ’s avonds koekjes, naalden en condooms (met smaakje, zo attent!) uitdeelde op straat, inloopspreekuren hield, meeging met cursussen zelfverdediging en theaterprojecten organiseerde. Wat een respect en wat een moed. Hoe erg de meiden eraan toe waren besefte ik toen ze vertelde dat bij zo’n cursus bijvoorbeeld de vraag werd gesteld: ‘Wat zou je doen als iemand je probeert te verkrachten?’ Waarop een van de meiden antwoordde: ‘Nou normaal pijp ik ze dan, want dan verkrachten ze me tenminste niet zonder condoom en laten ze me meestal mijn tas houden.’ Holy fuck! Wat schrok ik hiervan. Omdat het lot van mijn straatgenootjes me zo aan het hart ging, nodigde mijn vriendin me uit om een avond naar een theatervoorstelling voor ‘zwakke vrouwen in de samenleving’ te komen. Hier vond een groepje van deze meiden afleiding.

Het was een bijzondere avond waarbij meiden vol overgave hun verhaal deden, al dan niet in een aangepaste fictieversie. Ik was tot op het bot ontroerd. Allemaal gehavende maar sterke leeftijdsgenootjes die door het leven hier beland waren en (op een paar uitzonderingen daar) totaal geen uitzicht op een betere toekomst hadden. Na afloop reden wij met 2 meiden (waarvan het met eentje gelukkig wel wat beter ging, omdat ze was gestopt met het werk en weer op school zat) en een boyfriend/ouwe pimp mee terug naar het centrum. Onderweg zongen we luidkeels mee met Pitbull en Christina Aguilera en hadden een onbezorgd momentje met elkaar waarin we allemaal vrolijk, ontveroordeeld en gelijken waren.

Ik zat op de achterbank tussen mijn vriendin en een mooie, muzikale meid met een prachtstem en een lief en verlegen blik in haar ogen, in.  Ik complimenteerde het meisje met haar performance en ze bloosde. Ik denk dat ze door het complimentje extra hard haar best deed om boven Christina uit te komen en we schaterde het uit toen ik zo vals als een kraai ook wilde opscheppen met mijn zangtalenten. Toen wij werden afgezet om nog een drankje te doen in het centrum, werd zij eerst in mijn hood afgezet omdat ze nog ‘langs een vriendin ging’. Ze moest weer aan de bak. Back to life. Op de terugweg naar huis zag ik haar op de hoek van mijn straat staan. Ver weg met haar gedachtes en met een verdwaasde blik in haar ogen. Ze herkende me niet eens meer. Het shot was weer binnen.

Een paar maanden later belde mijn vriendin mijn verdrietig, overstuur en gedesoriënteerd op. Dat arme meisje. Die van de achterbank. Met haar talent voor gitaarspelen en zingen. Ze was na drie dagen vermist te zijn geweest, dood gevonden in haar armoedige flatje door haar pooier. Ze had in die weken voorafgaande aan deze tragedie, mijn vriendin al een paar keer panisch en hysterisch opgebeld. ‘Of ze haar alsjeblieft kon helpen.’ Ze moest namelijk haar arm laten amputeren van de arts, omdat ze te veel kapotte en ontstoken aderen had. Geloof me, Requiem for a Dream is een Disney film bij dit verhaal. Ze zou hierdoor haar arm, waarmee ze haar gitaar bespeelde, moeten afstaan. Haar muzikale droom en enige lichtbol in haar leven, in duizend stukjes. Waarschijnlijk was dit voor haar de druppel.  Ze is gestorven aan een (bewuste?) overdosis. Op haar begrafenis kwamen twee mensen. Een vrijwilligster. En een klant.

Plotseling besef ik me waar de lovely gentleman met roodharige Harry lokken, de Engelse singer-songwriter Ed Sheeran, (terwijl hij zichzelf pints en in kranten gewikkelde visjes toediende) zijn inspiratie voor een van zijn grootste hit ooit vandaan moet hebben gehaald. A-team. De vrolijke, rode dubbeldeksbus trekt op terwijl ik naar de levende standbeeldsoldaten met berenmutsen die langs de weg staan kijk. Ontroerd en met een omgekeerde maag, zet ik mijn iPod een tandje harder knalt er ‘And in a pipe she flies to the Motherland, or sells love to another man’ uit mijn oordopjes, ver mijn trilbuisjes in.